genealogieonline

Voorouders in het Eemland, Stichting Groenegraf.nl » Albertine Catharina Maria Smulders

Persoonlijke gegevens Albertine Catharina Maria Smulders Vrouwelijk


Voorouders (en nakomelingen) van Albertine Catharina Maria Smulders


Gezin van Albertine Catharina Maria Smulders

Zij is getrouwd met Petrus Hendricus Josephus Steenhoff.

Kind(eren):

  1. Joanna Francisca Agatha Steenhoff  1905-1998


Notities bij Albertine Catharina Maria Smulders

Albertine Steenhoff-Smulders was een voor de oorlog zeer bekende publiciste en schrijfster van vele boeken, pleitbezorgster van de belangen van katholieke vrouwenorganisaties.

Albertine Smulders was getrouwd met Piet Steenhoff, een bekend journalist en
hoofdredacteur van het dagblad "Het Centrum" voor Utrecht en omgeving, het latere Utrechts Katholiek Dagblad. Hij overleed als weduwnaar, 79 jaar oud, op 26 Januari 1945.
Albertine heeft haar Moeder tijdens haar langdurig ziekbed verzorgd. Ze voelde dat als een normale plicht. Op 10 Dec. 1891 overleed haar Moeder. Ze was toen 20 jaar. Haar Vader, die inmiddels naar Den Haag was verhu isd, stierf op 10 Juli 1903. Ze woonde hoogstwaarschijnlijk bij haar Vader en heeft hem mogelijkerwijs eveneens bij zijn ziek-, en sterfbed bijgestaan. Ze was toen 32 jaar. Een jaar later trouwde ze met Piet Steenhoff en vestigde ze zich met hem in Baarn.

DE CULTURELE EN SOCIAAL-MAATSCHAPPELIJKE BETEKENIS VAN ALBERTINE STEENHOFF-SMULDERS.

Albertine is een belangrijke Katholieke 'Tachtiger' geweest, die behalve cultureel in literaire zin ook in sociale zin van grote betekenis is geweest, in het bijzonder voor het Katholieke volksdeel. In die kwaliteiten heeft ze veel tot stand gebracht, dat alleszins
het vermelden waard is. Ze richtte in 1900 het letterkundig tijdschrift "Van Onzen Tijd" op en in 1916 het sociaal/literair tijdschrift "Mei". Zij schreef voorts eigen sprookjes en sprookjes, die navertellingen waren van Middeleeuwse legenden en mirakelen. Ze deed vertaalwerk uit het Engels, zoals Suzanne van Harland en The Cardinals Snuffbox. Ze wijdde zich op verdienstelijke wijze aan poëzie en proza, en ontpopte zich bovendien vanaf 1904 als rubrieken-, en kolommenschrijfster over onderwerpen, die de emancipatie van het katholieke volksdeel en in het bijzonder van de jonge Katholieke vrouw betrof.

Dr Jul. Persyn is de schrijver van "Albertine Steenhoff-Smulders en Marie Koenen",
- Vlaamse Bijdragen XI - Uitgave "Davidsfonds" Leuven, 1931. Daaruit is het
navolgende ontleend of geciteerd.

Albertine was de jongste van 4 kinderen, haar Moeder was van Italiaanse oorsprong, en het gezin, dat aanvankelijk in Rotterdam woonde, huisde vanaf 1880 in Kralingen, vanwaar Vader Charles dagelijks voor zijn zaken naar Rotterdam reisde. Op kostschool te Amersfoort kreeg ze Engelse les van een kloosterzuster, dochter van de bekende huisarts/historicus Dr Willem. J.F. Nuyens (1823 - 1899). Literair-sociaal/religieus is ze geschoold door het lezen van belangrijke Engelse en Amerikaanse schrijvers, zoals onder meer Tennyson, Shelley en Newman.
Haar gedegen kennis van de Engelse taal, zowel als van het Nederlands bracht haar tot het vertalen van verschillende Amerikaanse en Engelse boeken, zoals voornoemd.

Haar eerste gedichten, - ze begon daar al mee omstreeks 1890 - , verschenen tenslotte op aanbeveling van Pater Ermann S.J. en Monseigneur Van Cooth, een man met letterkundig-critisch gezag, in het Warmonds (Groot seminarie) tijdschrift "De Katholiek". Mgr Van Cooth entameerde jonge Katholieke schrijvers hun bijdragen te leveren voor dit vooraanstaande Katholieke tijdschrift, zoals Ed. Brom, Binnenwiertz, Poelhekke, de Klerk en nu ook Albertine Smulders.
Dit kon niet verhinderen, dat de jonge 'Roomsche Modernen' in 1900 een eigen tijdschrift "Van Onzen Tijd" oprichtten, waarvan de leiding in handen was van Albertine Smulders, Maria Viola, Alb. van der Kallen en Theo Molkenboer. De populariteit van "Van Onzen Tijd" was voor een niet gering deel te danken aan Albertine's 'voortreffelijk eenvoudige klaarheid' van taal. Ofschoon behorende tot de 'Tachtigers', had Albertine daarvan in haar jeugd weinig of niets vernomen. Ze had dan ook niets van de vaak gekunstelde taal van de meeste 'Tachtigers'.

Albertine's vroegste voorliefde ging uit naar de sprookjes, waarvan de vroegste jaargangen van haar tijdschrift getuigen met wat later gebundeld "Sprookjes van de Schemering" zou heten. In alle eenvoud wist Albertine haar ziel in haar vers en proza te leggen. Ze kon daarbij licht vrolijk of zwaarmoedig zijn, maar altijd zacht en innig. Haar herinneringen dienaangaande hingen om de heerlijkheid van het ouderlijke huis of om het ziekbed van haar Moeder; of ook wel om de rakkerijen van haar kinder-, en bakvisjaren, en om de pret van jeugdpartijtjes in de drukte van Rotterdam, of in het ruige duinenlandschap tussen Hofstad en zee.
Sinds 1880 waren de letterkundige sprookjes voor 'grote kinderen', naar voorbeeld van het buitenland, in zwang gekomen. Marie Metz Koning, Arthur van Schendel en Frederik van Eeden (De kleine Johanns) gingen Albertine voor. Albertine's sprookjes waren evenwel tevens religieus-meditatief getint, en gingen veelal over de wijding van het leven : "Weg van Verlangen", "Het Huis van den Plicht", "Geluk", "Ideaal", en meer van dit soort transcendentale zaken, waarvan ze zich zeer bewust was.
Dr Persijn noemt Albertine 'een bijzonder hoogstaande vrouw' met altijd dezelfde ingetogenheid en met fijn humoristische gaven. Dat heeft haar ook wel parten gespeeld in die zin, dat ze nooit buiten de grenzen durfde gaan van wat toendertijd 'katholiek aanvaardbaar' heette te zijn.
Een prachtig sprookje van de hand van Albertine was "De schaduw van het leven". Het is in feite het Paradijsverhaal in een geheel nieuw jasje, namelijk in dat van de mysterieuze verbondenheid van licht en leven en van donker en dood.

Albertine's bijzondere literaire gaven en belangstelling voor geschiedenis brachten haar in aanraking met de Middeleeuwse legenden en mirakelen. Die zin voor geschiedenis zat haar in 't bloed. Haar Vader Charles was in zijn vrije tijd graag met geschiedenis bezig, terwijl haar Grootvader Pieter Leonard niets liever deed 'dan de geur der archieven snuiven en gelachtslijsten opmaken : Hij maakte er ook een voor zichzelf, en schreef ze over op twaalf exemplaren: Een voor elk van zijn kinderen'.
'Onder de Modernen was deze nederige, stille werkster een voorgangster: de eerste om de kinderlijke schoonheid der Middeleeuwen weer nader te brengen tot ons.De eerste althans in ongerepten eenvoud van volkomen Katholiek begrijpen'.
Adriaan van Oordt met zijn "Irmenlo" en Arthur van Schendel met zijn "Drogon" gingen haar wel voor. Zij deden gedegen historisch onderzoek, maar vertaalden het geheel tenslotte op een neo-romantische wijze.
'Albertine zocht niet te vermooien, - geen kunst om de kunst - , maar entte het nieuwe van haarzelf op het oude'. Zij richtte zich wat de Middeleeuwen betreft bij voorkeur op dat oude "Biënboec", toen juist weer met zoveel ander stichtelijk proza door Dr De Vooys ("Middelnederlandschen Legenden en Exempelen" - 's Hage 1902) en Dr W.A. van de Vet ( het 13e eeuwse "Biënboec" van Thomas van Cantimpre - Groningen 1902) ontdekt en in onze letterkundige geschiedenis herplaatst.
Een tiental legenden heeft Albertine naverteld. Ze deed dat in de stijl van de 'Tachtigers' , maar op haar zeer eigen sobere en gelovige wijze in navolging van de spiritualiteit van de monniken van destijds, zoals blijkt uit "Der sielen Troest".
"Een heel oude sproke" is zo'n naverteld sprookje, even zo goed als de volgende vertellingen ontleend aan het "Biënboec" : "Heimwee" - 1904, "Heer Halewijn" - 1905), "Gelofte" - 1906, "Een exempel van Onze Lieve Vrouw" - 1904, "Van onzer Lieve Vrouwe Mirakelen" - 1905, "Een Maria-Sermoen" - 1905, "De schone sproke" - 1906, "Van Sint Joris" - 1906.
Geheel eigen vertellingen vol levenswijsheid of levenslust zijn "Tuintje" en "Poes".

Vooral na haar huwelijk in 1904 met de Centrum-redacteur Piet Steenhoff heeft Albertine zich literair laten kennen ten behoeve van de emancipatie van het Katholieke volksdeel. Piet Steenhoff was een redacteur/journalist, die als weinigen in den lande een heel heldere kijk had op de noden, eisen en rechten van het gewone volk.
Als Katholieke 'Tachtiger' had zij op de 'Klosiaan' veel voor, onder meer dat ze in haar literaire kunstuitingen tevens Evangelische waarden wist te brengen. Behalve in "Van Onzen Tijd" publiceerde ze in de "Katholieke Illustratie", dat in die tijd vooral door toedoen van Pater van Meurs een volksblad werd op een ongekend hoog taalkundig niveau, zowel in proza als in poëzie.
Ze schreef voor de "Katholieke Illustratie" drie historische romans, t.w. : "Jan van Arkel" - 1903, "Jacoba van Beieren" - 1905, en "Een Abdisse van Thorn" - 1907, die later in boekvorm werden uitgegeven (1911).

In 1904 stelde Albertine haar eerste bundel "Verzen" samen uit eerdere publicaties in tijdschriften en weekbladen. Een jaarkrans beginnend met de lente en eindigend met de winter, die weer hoop geeft op een lente. Daarbij worden ook kerkelijke feesten betrokken. Deze verzen tonen Albertine's grote gaven : rijke eenvoud, klare echtheid, sobere veelzijdigheid en spontane melodie, wat haar verzen tot iets bijzonders en persoonlijks maakt. Want dat in deze 'Tachtigster', ondanks de toen alleen zaligmakende leer van het allerindividueelste, toch zeer sterk en bestendig het sociale waakte, getuigt onder meer "Visioen".
Een tweede versbundel van Albertine is genoemd en gewijd aan "Holland"; gepointileerde miniatuurtjes, ontstaan mede door haar wonen en wandelen in Baarn en omgeving, zoals haar geliefde Eemnes en Soest.

Albertine laat zich ook kennen als sociaal voorvechtster. Ze staat aan het hoofd van de Katholieke Vrouwenbeweging in Nederland, en laat daar ook van blijken door haar publicaties in dagblad en maandschrift, alsmede in haar eigen weekblad en in tal van sociale leergangen. Bijvoorbeeld in "De Katholiek" van Februari/Maart 1913, waarin ze de Roomse vrouwenbeweging zo duidelijk en principieel uiteenzet. Ze heeft het over bewustwording zelfs van de gehuwde vrouw met kinderen, die dient te weten wat er omgaat in het volle leven. Dat is ook in het belang van een opvoeding van kinderen tot denkende mensen. Ze was dan ook een groot voorvechtster van een universitaire opleiding van vrouwen.
Ze publiceerde haar sociale visie in "Het Centrum" van haar man in de "Vrouwenrubriek". Maar nog meer in de "De Katholieke Vrouw", dat onder haar redactie uitgroeide tot een der aanzienlijkste sociale weekbladen van Nederland. Ze werd overigens gehinderd door een wat al te benauwende censuur.
In Mei 1916 werd dan ook onder haar leiding het tijdschrift "Mei" opgericht, dat een Roomse Vrouwenrubriek had. Albertine's bijdragen daarin, - maandelijks en van jaar tot jaar - , was van grote betekenis voor de emancipatie en opvoeding van het Hollandse meisje.
Veel meer dan in "Het Centrum" en in de "Katholieke Vrouw" vergastte Albertine haar "Mei"- publiek op sociale, literair ingeklede bijdragen. Zij schreef zelfs een roman in een vervolgreeks, getiteld "Een huis vol kinderen", boeiend voor jong en oud en vol verrassende voorvallen en verschillende karakters geschilderd. En dat alles zonder preektoon!

Bij gelegenheid van de viering van de 70e verjaardag van Koningin Emma werd haar verzocht de tekst voor een lied te schrijven, dat door kinderen vóór het paleis gezongen zou worden.

Met dank aan dhr. P. Lohle voor deze informatie.

Tijdbalk Albertine Catharina Maria Smulders

  Deze functionaliteit is alleen beschikbaar voor browsers met Javascript ondersteuning.
Gebruikte symbolen: grootouders grootoudersouders oudersbroers-zussen broers/zussenkinderen kinderen
Sleep de tijdbalk om terug of verder in de tijd te gaan (of gebruik de l en r toetsen). Klik op de namen voor meer informatie.

Over de familienaam Smulders

  • Bekijk de informatie die Genealogie Online heeft over de familienaam Smulders.
  • Bekijk de informatie die Open Archieven heeft over Smulders.
  • Bekijk in het Wie (onder)zoekt wie? register wie de familienaam Smulders (onder)zoekt.

    ?