genealogieonline

ús heit en ús mem Ti(g)chelaar en Westra » Tigchelaars en Westra's van Kimswerd

Genealogie

De Kjirrewjirre, het draaihek bij de ingang van het kerkhof die de duivel moest tegenhouden, piepte en kraakte….protesterend tegen het doorlaten van zo’n tweehonderd volgers van de lijkkoets, getrokken door vier Friese paarden, die door het hele dorp was gereden bij de begrafenis van Evert Johannes Tigchelaar. De Laurentiuskerk staat al sinds het jaar 1048 op de terp, centraal in het dorp Kimswerd, het kerkhof is dus minstens even oud. De dragers van de doodskist, gekleed in  zwart jacket versierd met zilverkleurige koorden, dito knopen en een hoge hoed, gingen voorop bij de zevenvoudige rondgang om het kerkhof. Het geluid van de vele voetstappen op het schelpenpad maakte de gang naar het graf nog treuriger. De klokken in de toren met het zadelvormige dak, luidden al meer dan een uur. De weerhaan op het zadeldak, met naar verhouding veel te grote poten, draaide naar het noorden. Een gure wind met veel regenbuien tussendoor, paste eigenlijk wel op deze dinsdag 21 augustus 1860. De vrijdag er voor, ‘s morgens om half vier was Evert Johannes overleden, ruim een jaar na het verlies van zijn vrouw Trijntje Hayes Bangma.

Kimswerd ligt aan de Zuiderzee, in het noordelijk deel van de “Lytse Bouhoeke”, een uiterst vruchtbaar en kostbaar gebied. De bodem is een metersdikke laag van zavelgrond en klei, door de toenmalige bewoners rond het jaar 900 veroverd op de zee. De Duitse keizer Koenraad de tweede  doneerde de “Lytse Bouhoeke” in het jaar 1034 aan de Sint Paulus abdij in Utrecht. Hij was vanaf 1024 koning van Duitsland en vanaf 1027 keizer van het Heilige Roomse Rijk.  Koenraad was de eerste keizer uit de Salische dynastie. Het decanaat was met deze donatie weer terug onder de autoriteit van de Rooms Katholieke Martinikerk van Franeker. Toen de kerk in Kimswerd een naam moest hebben heeft men bewust voor Laurentius gekozen. In die tijd, rond het jaar 1000, was hij de voornaamste heilige. Zijn naamdag valt op 10 augustus, dat was in die periode voor de Duitse keizer Otto I de ultieme datum om een veldslag te beginnen tegen de oppermachtige Hongaren, die toen natuurlijk in de pan zijn gehakt. Vanaf die dag steeg de naam Laurentius, als heilige, met stip. Voor de Kimswerders was hij ook de meest geschikte persoon. Het oogstfeest werd rond die tijd in augustus gevierd. Op 10 augustus werd er eeuwenlang een processie gehouden. Na afloop volgde de heilige kerkmis. Die kerkmis werd later de kermis, heden ten dage viert Kimswerd zijn “merke” nog steeds in die week. De onderwijzer Jan Engelsma schreef in 1857 dat de jaarmarkt en kermis te Kimswerd waren uitgegroeid tot een waar Bachus-festijn en dat het hoog tijd werd hiermee te breken.

Een beroemde, maar ook beruchte Kimswerder is Pier Gerlofs Donia geweest, alias Grutte Pier. In de stamboom van de Tigchelaars van Kimswerd komen een aantal Donia’s voor, maar Pier Gerlofs is geen voorouder. Zijn zuster Tieth Gerlofs wel. Via de Bangma’s, directe afstammelingen van Tieth Gerlofs komen we in 1785 uit bij Trijntje Bangma, de echtgenote van Evert Johannes. Pier werd rond 1480 geboren. Zijn vader Gerlof Piers was een telg uit een boerengeslacht, zijn moeder Fokel Sybrands Bonga was afkomstig uit de landadel. In 1498 werd Albercht van Saksen gouverneur van Friesland, een paar jaar later probeerden de graven van Holland rechten op Friesland te laten gelden. Ze vielen Friesland diverse malen aan, wat onder andere in de bezetting van Stavoren resulteerde. Pier was aanvankelijk boer te Kimswerd. Hij was getrouwd en had een zoon Gerlof en een dochter Wobbel. In 1515 werd de boerderij van Pier Donia door een groep Saksische huurlingen geplunderd en in brand gestoken. De vrouw van Pier werd hierbij gedood, evenals vele dorpsgenoten en andere familieleden. Pier was zijn gehele bezit verloren, begon te roepen om een strijd tegen de bezetters. Hij richtte een leger op genaamd de Arumer Zwarte Hoop. Deze troepenmacht bestond voornamelijk uit arme boeren, verarmde edelen, struikrovers en bandieten. Later zouden vele Gelderse huurlingen zich bij hen voegen met als gevolg dat ze de bijnaam "Gelderse Friezen" kregen toebedeeld, wat zij als een geuzennaam gingen gebruiken. Hun opdrachtgever was de hertog van Gelre. Onder leiding van Grutte Pier opereerde de Arumer Zwarte Hoop ook als een kapervloot op de Zuiderzee waar zij Hollandse schepen aanvielen en steden als Hoorn en Medemblik plunderden. In de grootste zeeslag uit zijn loopbaan in 1511 wist Pier 28 Hollandse schepen te veroveren. De 500 bemanningsleden die levend in handen van de Friezen vielen, werden zonder pardon overboord geworpen. Pier was een veel besproken figuur, zelfs Erasmus heeft over hem geschreven, zij het in negatieve bewoordingen. Volgens verhalen die in Kimswerd de ronde doen zou Pier zijn begraven onder de troon van de kerk. Dit is echter nooit bewezen. Een foeilelijk standbeeld van Grutte Pier staat  voor de kerk.

Terug naar de inmiddels begraven Evert Johannes. Een groot deel van zijn leven was hij boer op de “Sint Laurens pleats” , even ten noorden van het dorp. De boerderij was eigendom van de (vrijzinnig) Nederlands Hervormde kerk, Evert pachtte de boerderij van 1826 tot 1858 en werd de “Finneboer” genoemd, dit omdat de boerderij het dichtst bij het dorp stond. “Finne” was de naam voor het perceel dat het dichtst bij de boerderij lag. De oude boerderij werd af gebroken in 1867 en op die plaats kwam een café. Het braakhok bleef gespaard en lag zuidelijk van het toenmalige kaatsveld. Een nieuwe boerderij met dezelfde naam werd in 1868 gebouwd, een honderdtal meters noordelijker aan de andere kant van het kaatsveld, maar daar heeft Evert nooit gewoond. Alle andere percelen land werden benoemd naar de grootte in pondemaat, ongeveer een derde hectare. Naast de percelen weiland die van oudsher bij de boerderij hoorden, zo’n 60 pondemaat, huurde en kocht hij menig perceel akkerbouwland van derden. De productie van vlas was toen nogal populair in deze omgeving  en het braken van vlas in de wintermaanden was een aanvullende inkomstenbron voor de sociaal zwakkeren uit het dorp. Meerdere, tochtige en stoffige braakhokken stonden in Kimswerd  en waren de oorzaak van ernstige longaandoeningen. Ook als molenaar heeft hij een naam verworven. De windmolen stond ten zuidoosten van het dorp en pompte het water uit een polder van zo’n tweehonderd pondemaat. De windmolen was gebouwd in 1830, maar in 1858 al weer afgebroken om plaats te maken voor een stoomgemaal. Als jongen bood hij zijn diensten aan op een tichelwerk in Harlingen. Hoe hij zich dagelijks verplaatste van Kimswerd naar Harlingen v.v. is onbekend, maar een geregelde busdienst bestond toen zeker nog niet. Dwars door de weilanden zou de afstand lopend binnen een uur te doen zijn geweest.

Evert is geboren op maandag 6 februari 1786,  net als zijn twee zusters en drie broers, allemaal in Kimswerd. Zijn vader, Johannes Hanzes komt van oorsprong uit de omgeving van Harlingen, Midlum, maar het zou ook Zevenhuizen bij Franeker geweest kunnen zijn.Trijntje Everts, zijn moeder is geboren in Koningsbergen, Oost Pruisen, nu Kaliningrad genoemd en Russisch grondgebied. Haar vader, Evert Aukes uit Kimswerd was zeeman en diende o.a in de VOC, maar voer later ook naar de Baltische staten en heeft daar zijn echtgenote Johanna Sophia von Straußen ontmoet, getrouwd op 14 augustus 1756 in Koningsbergen. Haar ouders zijn Jurriaan Christiaansz von Straußen en Maria von Bergen, destijds schippers in Koningsbergen.

Evert en zijn broers en zusters groeiden op in de Franse tijd, ook wel de Frans-Bataafse tijd genoemd. Het was de periode van 1795 tot 1813, waarin het grootste deel van het tegenwoordige Nederland een vazalstaat was van Frankrijk en vanaf 1810 een onderdeel van het Eerste Franse Keizerrijk.  De Franse tijd begon met de Bataafse Revolutie , waarbij Nederlandse patriotten, met steun van een Frans leger dat het land was binnengetrokken, de Bataafse Republiek uitriepen. Stadhouder Willem V ging naar Engeland in ballingschap. Na een grondwetswijziging in 1801 werd de Bataafse Republiek vervangen door het Bataafs Gemenebest. Napoleon Bonaparte, die zichzelf in 1804 tot keizer van Frankrijk had uitgeroepen, verving in 1806 het Bataafs Gemenebest door het Koninkrijk Holland en zette zijn broer Lodewijk Napoleon Bonaparte op de troon als koning Lodewijk I. Het koninkrijk omvatte naast Nederland ook het vandaag Duitse Oost-Friesland. Napoleon was echter ontevreden over Lodewijk, die naar zijn mening een te onafhankelijke koers voer. In 1810 besloot hij de Nederlanden bij het Franse keizerrijk in te lijven. In de hoop de Nederlandse zelfstandigheid te bewaren deed Lodewijk afstand van de troon en werd zijn jonge zoontje Lodewijk II op 1 juli 1810 koning van Holland. Napoleon negeerde deze actie en annexeerde Nederland enkele weken later, op 13 juli. De Franse tijd eindigde toen Napoleon in 1813 werd verslagen en afstand deed van de troon. De oudste zoon van Willem V keerde op 30 november 1813 terug naar Nederland. Na het Congres van Wenen werd hij in 1815 als Willem I uitgeroepen tot koning der Nederlanden.

Met de invoering van de burgerlijke stand (18 november 1811) werden de nog 'vergeten' mensen van een achternaam voorzien. Iedere inwoner moest een familienaam opgeven of bevestigen. Voordien werd op het platteland meestal een patroniem gebruikt;  Jan, de zoon van Pieter werd dus jan Pieters. In de grote steden was het al jaren gebruikelijk een familienaam te hebben, maar dit was niet wettelijk vast gelegd en het werd nergens geregistreerd. Ook op het platteland werden al wel familienamen gebruikt, maar vrijwel uitsluitend door de welgestelden en nobelen. Op de twaalfde dag van de twaalfde maand 1811 nam Evert Johannes de familienaam Tigchelaar aan. Dezelfde dag heeft zijn moeder, Trijntje Everts hem ook als Tigchelaar aangeven, samen met alle broers en zusters. Vader Johannes Hanzes was al in 1801 overleden en heeft de naam Tigchelaar dus nooit gebruikt. Of Evert Johannes nu wel of niet in Rusland is geweest doet niets af aan het feit dat hij weg ging bij het tichelwerk in Harlingen en als meesterknecht  op 12 mei 1817 aan de slag ging bij  Pieter Ulbes Rijpma van Witmarsum, boer in Kimswerd en getrouwd met Trijnje Hayes Bangma.  Pieter Rijpma overleed op 14 mei 1823. Trijntje ging in eerste instantie met haar twee kinderen, Aafke en Ulbe verder boeren, met de hulp van Evert uiteraard. Haar zoon Ulbe Pieters Rijpma werd later in Friesland een belangrijk persoon. In Pingjum, waar hij boer werd, staat op het kerkhof nog een prachtige grote herdenkingszuil. Drie jaar na de dood van Pieter, trouwde Trijntje Hayes Bangma op 24-6-1826 met de meesterknecht Evert Johannes Tigchelaar, die werd ook de pachter van de Tsjerkepleats.

Van Trijntjes dochter Aafke Pieters Rijpma, stiefdochter van Evert, weten we dat ze trouwde met de Kimswerder dokter Gerardus Murray Bakker, een kleinzoon van de bekende Kimswerder dominee Simon Bakker. Gerard had soms problemen met zijn patiënten. In het Provinciaal Archief van Friesland bevinden zich twee brieven waarin financiële zaken staan vermeld. Hij heeft o.a. een verschil van mening over de vergoeding van zijn hulp aan zieken met de Doopsgezinde gemeente van Pingjum. Hij had een afspraak met deze gemeente gemaakt over de jaarlijkse vergoeding voor patiënten, die onderhouden werden door de diaconie. Later ging hij hier niet meer mee akkoord. Onder een brief van de Doopsgezinde gemeente van Pingjum staat de handtekening van de overgrootvader van Rients Gratama. Hij ondertekende met twee kruisjes. Hij kon namelijk niet schrijven. De schoolmeester had de brief geschreven met als vermelding dat de kruisjes het handmerk van Gratama waren. Met zijn familie ging dokter Murray Bakker ook niet zo goed om. Na de dood van zijn vrouw Aafke in 1870 vorderde hij de gehele erfenis, waaronder het kapitaal van de Rijpma’s, maar ook de nalatenschap aan haar van Evert en Trijntje. In een brief van de familie Tigchelaar wordt deze dokter vergeleken met de vrek Scrooge uit het beroemde kerstverhaal van Charles Dickens. Of het wel een goede dokter was wordt ook betwijfeld. Er overleden drie kinderen van hem. Hij was meer een pandjesbaas, gezien de vele huisjes die hij opkocht en weer verkocht of verhuurde. Het einde van deze dokter is altijd wat schimmig en mysterieus gebleven. Toen hij na een bezoek aan een patiënt niet thuis kwam, vonden ze hem dood in zijn koets, die op wonderbaarlijke wijze op de kop in de sloot lag, tussen Harlingen en Kimswerd. Was het een ongeluk of was het moord ? De waarheid is nooit aan het licht gekomen.

Jan Engelsma schrijft in het onderwijzersboekje over Kimswerd dat er in het jaar 1857  89 woonhuizen staan, voornamelijk oost- en westwaarts langs de Harlingervaart welke dwars door het dorp loopt en dat 550 zielen kent. Het getal der schoolgaande kinderen is in de zomer ruim 50. In de winter klimt dit op tot ruim 70. Er is hier eene polder die de landerijen van eenige boeren drooghoudt. Vijf boeren hebben zelf eene watermolen om hunne landerijen te bemalen, waarvan Evert Tigchelaar tot molenaar is benoemd. Fabrieken heeft men hier niet. De handwerkers zijn de volgende:  2  smeden,  2 ververs,, 2 bakkers, 2 timmerlieden, 1 wagenmaker, 1 kleermaker, 3 schoenlappers, 1 kuiper, 1 slachter en 1 vischer. De landbouw en de handel daaruit voortvloeiende is hier de hoofdtak van bestaan, zoo ook de veeteelt en zuivelproductie hetwelk op de boerenbedrijven zelve wordt uitgeoefend. Producten als vleesch, kaas en boter, karnemelk, wei en verschillende soorten brij worden aan huis of op de markten in Harlingen en Franeker verkocht. Behalve per as vervoert men  zich hier per veerschip dat op Harlingen en Franeker vaart en soms met een turfschip dat op Workum en Makkum vaart. Een postbode passeert hier dagelijks insgelijks.

Uit het huwelijk van Evert Johannes Tigchelaar en Trijntje Hayes Bangma zijn geen kinderen geboren.  Ze waren welgesteld en financierden een aantal projecten  waaronder  een lening  van vijfduizend gulden aan  Watze Ruitenga, apotheker en drogist en aan zijn vrouw Anna Bruinings ten behoeve van de inrichting van een nieuw te openen apotheek in Harlingen, met als onderpand een vierde deel over haag en laag in de zathe en landerijen genaamd de Allinga state te Arum. Aldus de akte nr.257, opgemaakt den negende Oktober 1849 door notaris Klaas Oosterhoff te Makkum. Tien jaar later, den achttiende Mei 1859 herroept Trijntje Hayes Bangma haar vroegere opgemaakte testamentaire beschikkingen en wel speciaal het testament van den tweeden Oktober 1834, verleden voor den notaris Esge Taco Kuipers, residerende te Bolsward. In dit testament  wordt Evert Tigchelaar erfgenaam van éénvierde deel van al haar bezittingen. Haar twee kinderen, Ulbe en Aafke Rijpma delen het resterende drievierde deel. Getuigen waren Hector Joannis Murray Bakker, zonder beroep en Pieter Runia, kleermaker, beiden wonende te Kimswerd. Uit hoofde van ziekte, bedlegering en moeilijke positie, verklaart Trijntje Hayes Bangma zelf niet te kunnen ondertekenen. Nog geen week later, op 24 mei 1859 is Trijntje overleden. Of er een nieuw testament is opgemaakt is niet duidelijk. Vermoedelijk erft Evert nu de helft van het legaat plus een kindsdeel.      

Evert Tigchelaar heeft de tweede oktober 1834 ook zijn testament laten opmaken bij dezelfde notaris. Hierin legateert hij het levenslange vruchtgebruik van zijn gehele nalatenschap aan zijn vrouw Trijntje Bangma en ontslaat haar van de verplichting borgen te stellen. Verder legateert hij aan zijn broers en zusters, of in geval van hun overlijden aan hun kinderen, aan ieder een zesde deel van zijn nalatenschap. Aan zijn stiefkinderen Ulbe- en Aafke Rijpma gezamenlijk een derde deel van zijn nalatenschap. Dit testament is rechtsgeldig gebleven tot aan zijn dood op vrijdag 17 augustus 1860.

Johannes Hanzes is geboren ca. 1755 in Midlum, maar het zou ook Franeker Zevenhuizen geweest kunnen zijn. Hij is als kind niet gedoopt en dus niet terug te vinden in de kerkboeken. Hij is de jongste zoon van Hans Louws van Midlum  en Jeetske Johannes Post uit Tzum, later te Zevenhuizen, oostelijk van Franeker. Voorouders van Johannes Hanzes, voor 1600, woonden en werkten in Franeker- en Hennaarderadeel. Omstreeks 1780 vertrok hij naar Kimswerd en trouwde daar met Trijntje Everts in 1781. Als volwassene gedoopt op belijdenis. Johannes is overleden in 1801 in bittere armoede….Is er iets gebeurd waardoor het gezin in zulke erbarmelijke omstandigheden terecht is gekomen?  Uit dit huwelijk zijn zes kinderen geboren: Jetske * 1783, Evert * 1786, Hans * 1788, Auke * 1791, Rinse * 1794 en Johanna * 1798. Trijntje Everts hertrouwde in 1804 met de weduwnaar Ate Klazes, bij de naamsaanneming in 1811 nam hij de familienaam de Jong aan. Ze woonden, in het begin met hun wederzijdse kinderen tot aan zijn overlijden in 1824 in Kimswerd, huisnummer 31. Na zijn dood woonde Trijntje Evert op nr. 32 tot aan haar overlijden in 1842. Beide woningen waren eigendom van haar zoon Evert Johannes. Het was toen gebruikelijk dat meerdere families in dezelfde woning  verbleven. De jongste zoon van Ate Klazes, uit zijn eerste huwelijk, is wel in Rusland geweest onder Napoleon. Dit zou het misverstand van “twee broers” Tigchelaar in “La Grande Armee” kunnen verklaren, het waren Hans Johannes en zijn stiefbroer Jan Ates. Beiden zijn in 1813/14 als vermist opgegeven.

de Jong, Jan Ates de, geb. Kimswerd 29.03.1793, wonende aldaar, zoon van Ate Klazes de Jong en Jetske Yps; loteling lichting 1811 mairie Arum; 6e regt. keizerl. garde,1e bat.,2e comp.; 30.05.1813 in Pruisen bij de stad Nuscau (?) krijgsgevangen gemaakt; na 5 dagen losgelaten; kon zijn onderdeel niet terugvinden; liep een kwaadaardige huidziekte op, maar kwam thuis in Kimswerd; als deserteur gearresteerd; wordt eind 1814 vermist; geen bericht ontvangen Bronnen: Tresoar nr. 755 op de lijst vermisten toegang 11 inv.nr. 6510 nr. 22; Tresoar toegang 8/4041 nr 139; Raf Arum fol. 50

Johannes Hanzes had een broer en twee zusters. Louw Hanzes* 1743, Rinske Hanzes* 1747 en Antje Hanzes* 1749. Louw Hanzes was een welgesteld man in Kimswerd, woonde eerst in Pingjum. Hij trouwde drie keer:             

1. Pyttje Jacobs getrouwd in 1772, kinderen: Hans * 1776 en Jacob * 1778.

2. Aaltje Jetzes, getrouwd in 1782, kinderen: Jetske * 1782, Jetze * 1786, Rinse * 1788 en Jetske * 1790.

3. Itske Taekeles, getrouwd in 1794, kinderen: Taekle * 1795, Geertje * 1798 en Hinke * 1800.   Zijn nakomelingen noemden zich na 1811 de Jong of Dijkstra. 

Rinske Hanzes trouwde in 1779 met Sinne Paulus Sinstra van Arum. Rinske is daar in 1785 overleden, ze hadden geen kinderen.

Antje Hanzes trouwde in 1779 met Teake Anes van Midlum, ze kregen 4 kinderen: Ane * 1780, Macheltje * 1784, Hendrik * 1789 en Antje * 1791. Opvallend is dat het huwelijk eerst in 1780 terug te vinden is in de trouwregisters van de N.H. kerk in Midlum. Men was vergeten de proclamaties te noteren.

Rinse Johannes Tigchelaar, zoon van Johannes Hanzes en Trijntje Everts en directe voorvader. (1794 - 1885). Loteling voor dienst in de nationale militie. Voor de loting had elke mannelijke inwoner (op zijn negentiende) de plicht om zich in te schrijven in de woonplaats of  mairie van zijn ouders. Een provincie was verdeeld in militiezones van ongeveer 100.000 inwoners, die vervolgens in tien kantons werden verdeeld. De militiecommissaris van het kanton creëerde een publieke loterij. Het loterijregister werd in tweevoud opgesteld, in volgorde van partijnummer. Een hoog getal betekende meer kans op vrijstelling. Het verkopen van hoge getallen was toegestaan (remplaçanten). In Nederland werd de verplichte militaire dienst, in die tijd "dienstplicht" genoemd, in 1810 ingevoerd na de annexatie van het Koninkrijk Holland in het Franse rijk. Door het lot werd bepaald wie zich moest inschrijven in het Franse leger. Het systeem werd na de verdrijving van de Fransen en de oprichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, gehandhaafd voor deelname aan de zogenaamde Nationale Militie. Tot 1898.

Rinse trouwde in 1819 met Sjuttje Hanzes Scheer uit Achlum. Uit dit huwelijk 1 zoon, Johannes Rinses. Johannes Rinses Tigchelaar, 1820-1871) was het enige kind van Rinse Johannes en Sjuttje Hanses Scheer. Hij trouwde met Grietje Klazes Posthuma-Hoekstra.(1822-1902). Alle daarna geboren Tigchelaars hebben hun genen mee gekregen. Ze kregen 10 kinderen: Rinse 4.3. (R) - Klaas 4.4. (K) - Sjuttje 4.5. - Eibert 4.6. (E) - Evert 4.7. - Sjoerd 4.8. (S) - Johanna 4.9. - Antje 4.10. - Auke 4.11. (A) - Jacob 4.12. (J)

Na de dood van zijn vrouw Sjuttje Hanzes (1822), trouwde Rinse in 1831 met zijn nicht Johanna Johannes de Vries, zij verzorgde de kleine Johannes sinds zijn geboorte in 1820. Dochter van Johannes Jans (de Vries) en de tante van Rinse, Sjouk Everts, zuster van zijn moeder Trijntje Everts. Uit dit huwelijk 1 dochter Sjoukje Rinses, geboren en overleden in 1835 in Kimswerd.

Zowel bij de aangifte van zijn zoon Johannes Rinses als in de overlijdensakte van Rinse Johannes  schrijven de ambtenaren in Witmarsum de familienaam verkeerd, namelijk als Tichelaar. Dit zou ook gedaan kunnen zijn naar de toen geldende spellingsregels. De handtekening van Rinse in de huwelijksakte is wel met gch. In de geboorteakte van zoon Johannes is ook Rinses leeftijd fout vermeld. (24 ipv 26 ) Rinse Johannes is ondertekenaar van het volkspetitionnement van 1878. (Abraham Kuyper) Rinse is op hoge leeftijd (91) in 1885 overleden en heeft veel verteld aan het nageslacht (kleinkinderen) over de Tigchelaars van Kimswerd. Er waren dus niet veel schakels nodig om informatie uit zijn bronnen te kunnen noteren. Jammer dat niemand dat heeft gedaan.

De grootouders van Johannes Hanzes, Louw Stoffels en Rinske Hanses woonden en werkten in Midlum op Uilenburgs tichelwerk. Uit dit huwelijk zijn 7 kinderen geboren : Stoffel * 1704, Waltie * 1706, Martjen * 1708, Hans * 1711, Sipke * 1716, Martzen * 1717 en Ymck * 1719. Louw Stoffels is gedoopt op 2 januari 1674, maar is geboren in 1673. Rinske Hanses is 10 jaren jonger, geboren in 1683 en overleden in 1738. Zij was een dochter van Hans Hansen, houtmolenaar en Martien Sipkes, beiden van Midlum. Met Louw Stoffels zijn we weer terug bij zijn ouders Stoffel Louws en Waltye Yntes.

Stoffel Louws, zoon van Lourens Stophels uit Itens en Gats Andeles uit Franeker, trouwde in 1673 in Franeker met Waltye Yntes van de Kingmatille bij Dronrijp. Haar ouders, Ynte Douwes en en Ymck Bockes trouwden ca.1635 in Dronrijp. De vader van Ynte Douwes, Douwe Ientiesz trouwde met Tzietsz Syurdts, uit het geslacht Goorda van Friesema van Menaldum. Vader Syurdt heeft nog wel pogingen gedaan om het huwelijk te “verspieren”, maar het Nedergerecht gaf toch consent.

wordt vervolgd.

 

The Kjirrewjirre, the swing gate at the entrance of the cemetery, which was to stop the devil, squeaked and creaked ... protracted by the passage of about two hundred followers of the corpse coach, drawn by four Frisian horses, which had been driven throughout the village by the funeral of Evert Johannes Tigchelaar. The Laurentius Church has been on the mound since the year 1048, in the center of the village of Kimswerd, so the cemetery is at least as old. The bearers of the coffin, dressed in black jacket decorated with silver colored cords, ditto buttons and a top hat, were at the forefront of the sevenfold round about the cemetery. The sound of the many footsteps on the shell path made the corridor to the grave even more sad. The bells in the tower with the saddle-shaped roof were ringing for more than an hour. The weathercock on the gable roof, with relatively large legs, turned to the north. A bleak wind with lots of rain showers in between, actually fit on this Tuesday 21 August 1860. The Friday before, in the morning at half past four Evert Johannes died, more than a year after the loss of his wife Trijntje Hayes Bangma.

Kimswerd lies on the Zuiderzee, in the northern part of the "Lytse Bouhoeke", an extremely fertile and precious area. The soil is a view meter-thick layer of clay soil and clay, captured by the then inhabitants around the year 900 on the sea. The German Emperor Koenraad the second donated the "Lytse Bouhoeke" in the year 1034 to the Sint Paulus abbey in Utrecht. He was king of Germany from 1024 and from 1027 emperor of the Holy Roman Empire. Koenraad was the first emperor from the Salian dynasty. With this donation, the deanship was back under the authority of the Roman Catholic Martinikerk of Franeker. When the church in Kimswerd had to have a name, they consciously chose Laurentius. At that time, around the year 1000, he was the main saint. His name day falls on 10 August, that was the ultimate date for the German Emperor Otto I to start a battle against the powerful Hungarians, who were of course chopped up at the time. From that day the name Laurentius, as a saint, rose with dot. He was also the most suitable person for the Kimswerders. The harvest festival was celebrated around that time in August. On 10 August, a procession was held for centuries. Afterwards the holy church mass followed. That church mass later became the fair, nowadays Kimswerd still celebrates his "brand" in that week. The teacher Jan Engelsma wrote in 1857 that the annual fair and fun fair in Kimswerd had grown into a true Bachus feast and that it was high time to break this.

A famous, but also infamous Kimswerder has been Pier Gerlofs Donia, aka Grutte Pier. In the family tree of the Tigchelaars of Kimswerd there are a number of Donias, but Pier Gerlofs is not an ancestor. His sister Tieth Gerlofs is. Via the Bangmas, direct descendants of Tieth Gerlofs we arrive in 1785 at Trijntje Bangma, the wife of Evert Johannes. Pier was born around 1480. His father Gerlof Piers was a descendant of a peasant family, his mother Fokel Sybrands Bonga came from the landed nobility. In 1498 Albercht van Saksen became governor of Friesland, and a few years later the counts of Holland tried to assert rights to Friesland. They attacked Friesland several times, which resulted, among other things, in the occupation of Stavoren. Pier was initially a farmer in Kimswerd. He was married and had a son Gerlof and a daughter Wobbel. In 1515, Pier Donia's farm was looted and set on fire by a group of Saxon mercenaries. Pier's wife was killed, as were many villagers and other family members. Pier had lost all his possessions, began to call for a fight against the occupiers. He founded an army called the Arumer Black Hope. This force consisted mainly of poor farmers, impoverished nobles, highwaymen and bandits. Later, many Gelderland mercenaries joined them with the result that they were given the nickname "Gelderse Friezen", which they started using as a badge. Their client was the Duke of Gelre. Under the leadership of Grutte Pier, the Arumer Zwarte Hoop also operated as a kapervloot on the Zuiderzee where they attacked Dutch ships and plundered cities such as Hoorn and Medemblik. In the greatest naval battle in his career in 1511, Pier managed to capture 28 Dutch ships. The 500 crew members who fell into the hands of the Frisians were thrown overboard without mercy. Pier was a much discussed figure, even Erasmus wrote about him, albeit in negative terms. According to stories circulating in Kimswerd Pier would have been buried under the throne of the church. However, this has never been proven. A deadly statue of Grutte Pier stands in front of the church.

Back to the now-buried Evert Johannes. For much of his life he was a farmer on the "St.Laurens pleats ", just north of the village. The farm was owned by the (liberal) Dutch Reformed Church, Evert rented the farm from 1826 to 1858 and was called the "Finneboer", because the farm was closest to the village. "Finne" was the name for the plot closest to the farm. The old farmhouse was broken down in 1867 and a cafe was built at that location. The barnacle was spared and was located south of the former bounceball field. A new farm with the same name was built in 1868, a hundred meters to the north on the other side of the handball field, but Evert never lived there. All other parcels of land were named to the size in pound size, about a third hectare. In addition to the plots of pasture that traditionally belonged to the farm, about 60 pounds, he rented and bought many arable land from third parties. The production of flax was then quite popular in this area and the vomiting of flax in the winter months was an additional source of income for the socially weak from the village. Several, draughty and dusty black barnacles were in Kimswerd and were the cause of serious lung diseases. He also acquired a name as a miller. The windmill was located southeast of the village and pumped the water out of a polder of some two hundred pounds. The windmill was built in 1830, but already demolished in 1858 to make way for a steam pumping station. As a boy he offered his services on a tichelwerk in Harlingen. How he moved daily from Kimswerd to Harlingen v.v. is unknown, but a regular bus service certainly did not exist then. Across the meadows, the distance would have been running within an hour.

Evert was born on Monday February 6, 1786, just like his two sisters and three brothers, all in Kimswerd. His father, Johannes Hanzes, originates from the Harlingen, Midlum area, but it could also have been Zevenhuizen at Franeker.Trijntje Everts, his mother was born in Koningsbergen, East Prussia, now called Kaliningrad and Russian territory. Her father, Evert Aukes from Kimswerd was a sailor and served in the VOC, but later also sailed to the Baltic states and met his wife Johanna Sophia von Straußen, married on August 14, 1756 in Koningsbergen. Her parents are Jurriaan Christiaansz von Straußen and Maria von Bergen, then skippers in Koningsbergen.Evert and his brothers and sisters grew up in French times, also known as the Franco-Batavian era. It was the period from 1795 to 1813, in which the greater part of the present-day Netherlands was a vassal state of France and from 1810 a part of the First French Empire. The French era began with the Batavian Revolution, in which Dutch patriots, with the support of a French army that had entered the country, proclaimed the Batavian Republic. Stadholder William V went to England in exile. After a constitutional amendment in 1801, the Batavian Republic was replaced by the Batavian Commonwealth. Napoleon Bonaparte, who had declared himself emperor of France in 1804, replaced the Batavian Commonwealth by the Kingdom of Holland in 1806 and put his brother Lodewijk Napoleon Bonaparte on the throne as King Louis I. The kingdom included the German East Friesland. Napoleon, however, was dissatisfied with Lodewijk, who, in his opinion, was running too independent. In 1810 he decided to incorporate the Netherlands into the French empire. Hoping to preserve Dutch independence Lodewijk renounced the throne and his young son Louis II became king of Holland on 1 July 1810. Napoleon ignored this action and annexed the Netherlands a few weeks later, on 13 July. The French era ended when Napoleon was defeated in 1813 and renounced the throne. The eldest son of Willem V returned to the Netherlands on 30 November 1813. After the Congress of Vienna in 1815 he was proclaimed William I as king of the Netherlands.

With the introduction of the civil status (18 November 1811) the still 'forgotten' people were given a surname. Every resident had to give or confirm a family name. Previously, a patronymic method was usually used in rural areas; Jan, the son of Pieter became Jan Pieters. In the big cities it had been customary for years to have a family name, but this was not legally established and it was not registered anywhere. Even in the countryside, family names were already used, but almost exclusively by the wealthy and noble. On the twelfth day of the twelfth month of 1811, Evert Johannes adopted the family name Tigchelaar. On the same day his mother, Trijntje Everts, also declared him as a Tigchelaar, together with all brothers and sisters. Father Johannes Hanzes had already died in 1801 and so he never used the name Tigchelaar. Whether Evert Johannes now or not in Russia has not been detracted from the fact that he left the tichelwerk in Harlingen and as a master servant on 12 May 1817 started with Pieter Ulbes Rijpma of Witmarsum, farmer in Kimswerd and married with Trijnje Hayes Bangma. Pieter Rijpma died on May 14, 1823. Trijntje initially continued to farm with her two children, Aafke and Ulbe, with Evert's help of course. Her son Ulbe Pieters Rijpma later became an important person in Friesland. In Pingjum, where he became a farmer, there is another beautiful large memorial column in the cemetery. Three years after the death of Pieter, Trijntje Hayes married Bangma on 24-6-1826 with the master servant Evert Johannes Tigchelaar, who also became the lessee of the Tsjerkepleats.

From Trijntjes daughter Aafke Pieters Rijpma, stepdaughter of Evert, we know she married with Kimwerder doctor Gerardus Murray Bakker, a grandson of the famous Kimswerder reverend Simon Bakker. Gerard sometimes had problems with his patients. In the Provincial Archive of Friesland there are two letters in which financial matters are mentioned. He has, among other things, a difference of opinion about the reimbursement of his help to the sick with the Mennonite congregation of Pingjum. He had made an appointment with this municipality about the annual reimbursement for patients, which were maintained by the diaconate. Later he did not agree with this anymore. Under a letter from the Baptist Church of Pingjum is the signature of the great-grandfather of Rients Gratama. He signed with two crosses. He could not write. The schoolmaster had written the letter stating that the crosses were the trademark of Gratama. Dr. Murray Bakker did not go as well with his family. After the death of his wife Aafke in 1870 he claimed the entire inheritance, including the capital of the Rijpma's, but also the inheritance to her from Evert and Trijntje. In a letter from the Tigchelaar family, this doctor is compared to the Scrooge scrooge from the famous Christmas story of Charles Dickens. Whether it was a good doctor is also doubted. Three children died from him. He was more of a pawnbroker, given the many houses he bought and sold or rented out. The end of this doctor has always remained somewhat shadowy and mysterious. When he did not come home after a visit to a patient, they found him dead in his carriage, which was miraculously upside down in the ditch, between Harlingen and Kimswerd. Was it an accident or was it murder? The truth never came to light.

Jan Engelsma writes in the teacher's book about Kimswerd that in the year 1857 there are 89 houses, mainly east and west along the Harlingervaart which runs through the village and that has 550 souls. The number of school-age children in the summer is over 50. In the winter this rises to more than 70. There is a polder here that keeps the farms of some farmers dry. Five farmers have their own water mill to drain their lands, of which Evert Tigchelaar has been appointed miller. Factories are not here. The craftsmen are the following: 2 blacksmiths, 2 diggers, 2 bakers, 2 carpenters, 1 wagonmaker, 1 tailor, 3 cobblers, 1 cooper, 1 butcher and 1 vischer. Agriculture and trade resulting therefrom is here the main branch of existence, as is animal husbandry and dairy production which is practiced on the farms themselves. Products such as meat, cheese and butter, buttermilk, whey and various types of pulp are sold at home or at the markets in Harlingen and Franeker. Except for each axle, one transports here by ferry which sails at Harlingen and Franeker and sometimes with a peat ship sailing at Workum and Makkum. A postman passes in here every day.

From the marriage of Evert Johannes Tigchelaar and Trijntje Hayes Bangma no children are born. They were wealthy and financed a number of projects including a loan of five thousand guilders to Watze Ruitenga, pharmacist and chemist and to his wife Anna Bruinings for the construction of a new open pharmacy in Harlingen, with as collateral a fourth part on hedge and low in the valley and lands called the Allinga state in Arum. Thus the deed no.257, drawn up on the ninth October 1849 by notary Klaas Oosterhoff in Makkum. Ten years later, on the eighteenth of May 1859, Trijntje Hayes Bangma repeals her formerly made testamentary orders and specifically the will of the second October 1834, past for the notary Esge Taco Kuipers, residing at Bolsward. In this will, Evert Tigchelaar becomes heir to one-fourth of all her possessions. Her two children, Ulbe and Aafke Rijpma share the remaining three-fourths. Witnesses were Hector Joannis Murray Bakker, without a job and Pieter Runia, tailor, both living at Kimswerd. Trijntje Hayes explains Bangma because of illness, bedside and difficult position not able to sign yourself. Less than a week later, on May 24, 1859, Trijntje passed away. Whether a new testament is made is not clear. Evert probably inherits half of the legacy plus a child's part.

Evert Tigchelaar also had his will made at the same notary on October 18, 1834. In this he gives the life-long usufruct of his entire estate to his wife Trijntje Bangma and relieves her of the obligation to guarantee. He also gives to each of his brothers and sisters, or in the case of their death to their children, a sixth part of his estate. His stepchildren Ulbe and Aafke Rijpma jointly account for a third of his legacy. This will remains valid until his death on Friday, August 17, 1860.

Johannes Hanzes was born about 1755 in Midlum, but it could also have been Franeker Zevenhuizen. He is not baptized as a child and can not be found in the church books. He is the youngest son of Hans Louws van Midlum and Jeetske Johannes Post from Tzum, later in Zevenhuizen, east of Franeker. Ancestors of Johannes Hanzes, before 1600, lived and worked in Franeker- and Hennaarderadeel. Around 1780 he left for Kimswerd and married Trijntje Everts in 1781. As an adult baptized on confession. Johannes died in 1801 in bitter poverty .... Has something happened that put the family in such miserable circumstances? From this marriage six children were born: Jetske * 1783, Evert * 1786, Hans * 1788, Auke * 1791, Rinse * 1794 and Johanna * 1798.

Trijntje Everts remarried in 1804 with the widower Ate Klazes, at the name adoption in 1811 he took the family name de Jong. They lived, in the beginning with their mutual children until his death in 1824 in Kimswerd, house number 31. After his death Trijntje Evert lived at number 32 until her death in 1842. Both houses were owned by her son Evert Johannes. It was then usual for several families to stay in the same house. The youngest son of Ate Klazes, from his first marriage, has been in Russia under Napoleon. This could explain the misunderstanding of "two brothers" Tigchelaar in "La Grande Armee", it was Hans Johannes and his stepbrother Jan Ates. Both were reported missing in 1813/14.

De Jong, Jan Ates de, b. Kimswerd 29.03.1793, living there, son of Ate Klazes de Jong and Jetske Yps; loteling generation 1811 mairie Arum; 6th regt. emperor. whisk, 1st bat, 2nd comp .; 30.05.1813 in Prussia near the city of Nuscau (?) Made prisoner of war; released after 5 days; could not find his part; suffered a malignant skin disease, but came home in Kimswerd; arrested as a deserter; will be missing at the end of 1814; no message received Sources: Tresoar No. 755 on the list missing access 11 inv.no. 6510 No. 22; Tresoar access 8/4041 nr 139; Raf Arum fol. 50

Johannes Hanzes had a brother and two sisters. Louw Hanzes * 1743, Rinske Hanzes * 1747 and Antje Hanzes * 1749. Louw Hanzes was a wealthy man in Kimswerd, first lived in Pingjum. He married three times: 1. Pyttje Jacobs married in 1772, children: Hans * 1776 and Jacob * 1778.2. Aaltje Jetzes, married in 1782, children: Jetske * 1782, Jetze * 1786, Rinse * 1788 and Jetske * 1790.3. Itske Taekeles, married in 1794, children: Taekle * 1795, Geertje * 1798 and Hinke * 1800. His descendants named themselves after 1811 de Jong or Dijkstra. Rinske Hanzes married in 1779 with Sinne Paulus Sinstra van Arum. Rinske died there in 1785, they had no children. Anneke Hanzes married Teake Anes van Midlum in 1779, they had 4 children: Ane * 1780, Macheltje * 1784, Hendrik * 1789 and Antje * 1791. Strikingly, the marriage first in 1780 can be found in the wedding registers of the NH church in Midlum. They had forgotten to write the proclamations.

Rinse Johannes Tigchelaar, son of Johannes Hanzes and Trijntje Everts and direct ancestor. (1794 - 1885). Loteling for service in the national militia. Before the draw, each male resident (at the age of nineteen) had the duty to register in the residence or mairie of his parents. A province was divided into militia zones of about 100,000 inhabitants, which were then divided into ten cantons. The militia commissioner of the canton created a public lottery. The lottery register was drawn up in duplicate, in order of batch number. A high number meant more chance of exemption. The sale of high numbers was allowed (substitutes). In the Netherlands the compulsory military service, at that time called "conscription", was introduced in 1810 after the annexation of the Kingdom of Holland into the French empire. Fate determined who should register in the French army. After the expulsion of the French and the establishment of the United Kingdom of the Netherlands, the system was maintained for participation in the so-called National Militie. Until 1898.Rinse married in 1819 with Sjuttje Hanzes Scheer from Achlum. From this marriage 1 son, Johannes Rinses. Johannes Rinses Tigchelaar, 1820-1871) was the only child of Rinse Johannes and Sjuttje Hanses Scheer. He married Grietje Klazes Posthuma-Hoekstra (1822-1902). All subsequently born Tigchelaars have received their genes. They had 10 children: Rinse 4.3. (R) - Klaas 4.4. (K) - Sjuttje 4.5. - Eibert 4.6. (E) - Evert 4.7. - Sjoerd 4.8. (S) - Johanna 4.9. - Antje 4.10. - Auke 4.11. (A) - Jacob 4.12. (J)

After the death of his wife Sjuttje Hanzes (1822), Rinse married his cousin Johanna Johannes de Vries in 1831, she cared for the little Johannes since his birth in 1820. Daughter of Johannes Jans (de Vries) and the aunt of Rinse, Sjouk Everts, sister of his mother Trijntje Everts. From this marriage 1 daughter Sjoukje Rinses, born and died in 1835 in Kimswerd.Which the declaration of his son Johannes Rinses and in the death certificate of Rinse Johannes the officials in Witmarsum write the family name wrongly, namely as Tichelaar. This could also be done according to the spelling rules then applicable. The signature of Rinse in the marriage certificate is with gch. In the birth certificate of son Johannes also Rinses age is wrongly mentioned. (24 instead of 26) Rinse Johannes is a signatory of the people's deposition of 1878. (Abraham Kuyper) Rinse died at high age (91) in 1885 and told a lot about the offspring (grandchildren) about the Tigchelaars of Kimswerd. So there were not many links needed to be able to record information from his sources. It is a pity that no one did that.

The grandparents of Johannes Hanzes, Louw Stoffels and Rinske Hanses lived and worked in Midlum on Uilenburg's tichelwerk. From this marriage 7 children were born: Stoffel * 1704, Waltie * 1706, Martjen * 1708, Hans * 1711, Sipke * 1716, Martzen * 1717 and Ymck * 1719. Louw Stoffels was baptized on January 2, 1674, but was born in 1673 Rinske Hanses is 10 years younger, born in 1683 and died in 1738. She was a daughter of Hans Hansen, wood miller and Martien Sipkes, both from Midlum. With Louw Stoffels we are back with his parents Stoffel Louws and Waltye Yntes.Stoffel Louws, son of Lourens Stophels from Itens and Gats Andeles from Franeker, married in 1673 in Franeker with Waltye Yntes of the Kingmatille near Dronrijp. Her parents, Ynte Douwes and and Ymck Bockes married about 1635 in Dronrijp. The father of Ynte Douwes, Douwe Ientiesz married Tzietsz Syurdts, from the genus Goorda of Friesema of Menaldum. Father Syurdt did make some attempts to "obstruct" the marriage, but the court gave consent.

More to come....

 

 

Terug naar de startpagina van deze publicatie

Het inloggen op het besloten deel van deze
publicatie is alleen mogelijk als u daartoe
bent uitgenodigd door de auteur!

   Annuleren


Bent u uw wachtwoord vergeten?