genealogieonline

Genealogie Krook » De tak Abcoude (Croock)

De tak Abcoude (Croock)

Croock - Abcoude

De 1e stamlijn: Cornelis Klaaszn Croock * 1618 – + 1690, 923 personen

Aan deze genealogie van deze stamlijnen werd de bovenstaande naam gegeven, omdat de oudst bekende stamvader Cornelis Klaaszn in Abcoude voor het eerst werd vermeld. Behalve Thomas, die na zijn huwelijk naar Loosdrecht verhuisde, bleven de eerste generaties na Cornelis Klaaszn in deze plaats wonen. Waar onze Cornelis Klaaszn Crook uiteindelijk zijn wortels heeft gehad, is niet bekend. De meest voor de hand liggende mogelijkheid is, dat hij toch in onze gewesten zijn domicilie heeft gehad.

Van vader Cornelis Klaaszn, moeder Annetje Baauw en van hun kinderen zijn geen geboorte- of doopgegevens gevonden. De genoemde kinderen zijn aan dit echtpaar gekoppeld door de tweede naam Cornelis, de datum waarop zij ongeveer zijn geboren en de vermelding van de plaats Abcoude. De kinderen zijn dus als waarschijnlijke kinderen van Cornelis Klaaszn vermeld.

De 2e stamlijn: Jacob Krook * 1820 - + 1894 196 personen

Deze genealogie gaat, zoals gebruikelijk, uit van mannelijke lijnen. Wanneer een dochter “in onegt” een zoon krijgt, ontstaat een nieuwe lijn waarvan de zoon de stamvader is. In de lijn van Thomas Cornelisz komt dit voor bij Albertje, op 20 januari 1799 gedoopt te Oud Loosdrecht. Op 7 januari 1820 krijgt zij uit een onwettige relatie een zoon, die ze Jacob noemt. Hier begint dus een nieuwe lijn met Jacob, geboren op 7 januari 1820 als stamvader.
 
Wanneer de biologische vader zijn zoon had erkend, hadden alle verdere generaties van Jacob een andere achternaam gehad. Dit zou ook het geval zijn geweest, wanneer een volgende relatie van Albertje haar zoon Jacob had geëcht.

Collega A.J.J. Krook te ’s Gravenhage heeft mij met de eerste generaties van Baen, de zoon van Cornelis Klaasz, bijzonder geholpen. Hij had over hem al veel speurwerk gedaan. Deze gegevens heb ik van hem gekregen, waardoor de uitgangspositie van Baens nageslacht gemakkelijker werd gemaakt.
 
Van F. Brand te Loosdrecht, bestuurslid van de Historische Kring Loosdrecht, heb ik veel aanvullingen gekregen over de eerste generaties na Thomas, het vierde kind van Cornelis Klaaszn. Hij heeft naast speurwerk naar de persoonlijke gegevens vooral veel onderzoek gedaan naar de leefomstandigheden van de eerste generaties en daar veel informatie over verzameld. De bij de eerste generaties vermelde tekstgegevens zijn bijna allemaal van hem. Voor het aan mij ter beschikking stellen en het mogen publiceren van deze gegevens ben ik hem bijzonder dankbaar. Hij noemt de tak met stamvader Thomas: “De Loosdrechtse familie Krook”, omdat van deze tak een groot aantal van de nakomelingen in Loosdrecht zijn blijven wonen.
 
Verder heb ik van veel stamgenoten informatie gekregen. Heel hartelijk dank daarvoor.

Uit de geschiedenis van ABCOUDE

Abencenwalde, het hedendaagse Abcoude, wordt in 1085 voor het eerst genoemd in een oorkonde van Koenraad, in die tijd bisschop van Utrecht. Het oorspronkelijk moerassige en onbewoonde gebied is door de eeuwen heen door menselijk ingrijpen omgevormd tot een landelijk gebied in het Groene Hart van Holland. Abcoude en Baambrugge liggen in een veenlandschap en worden omringd en doorsneden door rivieren als de Angstel, Gein, Winkel en Wever.

Ze behoren tot het stroomgebied van de Vecht. In kronieken uit de 15e en 16e eeuw wordt gesproken over een groot ondoordringbaar bos waar beren, leeuwen en everzwijnen hun leefgebied hadden. In de rivieren leefden veel soorten vis. De hoge heerlijkheid Abcoude was verdeeld in twee ambachtsheerlijkheden: Abcoude-Proosdij, behorend aan het kapittel van Sint Pieter te Utrecht en Abcoude-Baambrugge, dat onder de Staten van Utrecht viel. De grens tussen die twee gerechten liep dwars door het dorp Abcoude.
 
Tussen Abcoude en Baambrugge lag het van oorsprong 13e eeuwse kasteel, ’t Slot Abcoude. Dit was één van de zeven versterkte bisschoppelijke kastelen van het Sticht, die het gebied tegen vijandelijke invallen moest beschermen. Het ooit zo machtige bouwwerk werd in 1672, bij de inval van de Fransen voor het laatst als militaire vesting gebruikt. Verwaarlozing en een razende storm, die op 8 december 1703 woedde, maakten van het kasteel een ruïne. Oude prenten zijn hier de stille getuigen van.
 
In het jaar 1672 trok de Franse Zonnekoning, Lodewijk XIV met een detachement van 500 Fransen al moordend, plunderend en brandstichtend vanuit het oosten de Republiek binnen. Ze waren van plan naar Amsterdam op te rukken. De eerste soldaten arriveerden oktober 1672 in Abcoude en Loosdrecht, waardoor de gehele bevolking op de vlucht sloeg.
 
Uit een geheim schrijven van “Staat en Kerke der Veereenigde Nederlanden, Prov. Utrecht 1759” staat vermeld: “Mannen en Wijven, die deese Franschen bekomen konden, rukten zy te Abouce uit hare Huysen, ten deelen aan Staarten der Paarden, ten deelen by het Hair aan de Voeten der Ruyters gebonden, en aldus naar de plaatsen gesleept daar zy in Bezetting waren, zyn ter dood gemartelt, door ’t geweld geen men haar aandeed”.
 
In “Weldaet der scholen”van E.P. de Booy, Bilthoven 1977 lezen we:

In 1653 waren na het overlijden van schoolmeester, Dirk Silvester moeilijkheden gerezen over diens opvolging. De tijdelijke waarnemer, meester Quirijn van Knipbergen, bleek heel populair bij de schoolkinderen. De officieel benoemde opvolger, Christiaan van der Meer, vond het hele dorp tegen zich. Uiteindelijk werden de concurrenten het eens. Van Knipbergen bespeelde het orgel en hield school. Van der Meer hield de kerk schoon en hield ook school.

Omstreeks 1650 telde de bevolking van Abcoude rond 1000 inwoners.


Andere verhalen


Terug naar de startpagina van deze publicatie

Het inloggen op het besloten deel van deze
publicatie is alleen mogelijk als u daartoe
bent uitgenodigd door de auteur!

   Annuleren


Bent u uw wachtwoord vergeten?